Aflevering 3 van de reeks van 10 artikelen
In deze reeks over parkeergedrag gaat het vandaag over een hardnekkige aanname.
In vrijwel alle gesprekken over parkeren dook dezelfde aanname op. Bewoners zouden hun gedrag niet willen aanpassen. Niet vrijwillig. Niet structureel. Die veronderstelling werkte door in beleid, in politieke afwegingen en in de manier waarop oplossingen werden ontworpen. Als mensen toch niet willen, hoef je het systeem ook niet anders in te richten.
Die aanname is vóór de start van de pilot expliciet getoetst. Niet via inspraakavonden, maar via een enquête onder vergunninghouders in Duinoord en het Statenkwartier. De respons was hoog. Ruim 1.600 bewoners vulden de vragenlijst in. Daarmee ontstond een breed en gedifferentieerd beeld, uitgesplitst naar huishoudens, autobezit en feitelijk gebruik.
De uitkomsten weken af van het gangbare beeld. Veel bewoners gaven aan open te staan voor een alternatief, mits aan duidelijke voorwaarden werd voldaan. Het ging niet om vrijblijvende bereidheid. Bewoners waren concreet. Beschikbaarheid moest betrouwbaar zijn. De loop- of fietsafstand moest logisch blijven. En vooral: men wilde vooraf weten waar men aan toe was. Kosten speelden mee, maar waren zelden doorslaggevend.
Opvallend was ook welk type gebruik werd benoemd. Het ging vaak niet om de eerste auto, maar om tweede en derde auto’s. Of om auto’s die vooral ’s avonds en in het weekend werden gebruikt. Juist deze groep zag ruimte om anders te parkeren. Niet uit idealisme, maar omdat het paste bij hun feitelijke gebruik.
Belangrijker nog was wat later zichtbaar werd in de data. De antwoorden uit de enquête bleken goed te corresponderen met het gedrag tijdens de pilot. Wat bewoners vooraf aangaven over frequentie, gebruiksmomenten en bereidheid, kwam in grote lijnen terug in de reserveringspatronen. Er was geen grote kloof tussen wat mensen zeiden en wat zij deden. Stated preferences en revealed behaviour vielen opvallend samen.
Dat is beleidsmatig relevant. Het betekent dat de veronderstelde onwil van bewoners geen gegeven is, maar een gevolg van het ontbreken van een passend aanbod. Zolang het systeem alleen één optie kent – parkeren op straat of niets – lijkt gedrag star. Zodra er een betrouwbaar alternatief komt, blijken bewoners rationeel te handelen.
De enquête liet daarmee niet alleen bereidheid zien, maar ook voorspelbaarheid. Bewoners dachten vooruit. Ze wogen gemak, afstand en zekerheid tegen elkaar af. Die afwegingen waren consistent. En ze bleken goed te modelleren zodra het systeem dat toeliet.
Hier viel de mythe van de onwillige automobilist definitief weg. Niet omdat iedereen ineens anders wilde leven, maar omdat gedrag nooit losstaat van context. Wat jarenlang als weerstand werd geïnterpreteerd, bleek in feite een reactie op een systeem dat geen ruimte bood voor keuze.
Met deze kennis kon de volgende stap worden gezet. Niet langer discussiëren over intenties, maar observeren wat er gebeurt als het systeem wél klopt.
De pilot was geen experiment om bewoners te overtuigen. Het was een toets: hoe gedragen vergunninghouders zich wanneer capaciteit en arrangement op elkaar aansluiten?
Vorige artikel:
De verborgen leegte
Volgend artikel:
De proef






