/

March 1, 2026

2. De verborgen leegte

Aflevering 2 van de reeks van 10 artikelen

In deze reeks over parkeren en bereikbaarheid staat vandaag de leegte centraal die jarenlang buiten beeld bleef.

Terwijl de parkeerdruk in woonstraten structureel hoog was, liet een parallelle analyse een ander beeld zien. Op korte afstand van deze wijken lagen parkeergarages en parkeerterreinen met een lage bezetting in de avonduren, ’s nachts en in het weekend. Dit was geen uitzondering. Het patroon herhaalde zich week na week.

Inventarisaties rond locaties als het World Forum maakten dit zichtbaar. De gemiddelde bezetting bleef in deze tijdvakken ruim onder de helft. Overdag was de vraag hoog. Buiten kantoor- en evenementtijden viel die vrijwel weg. De capaciteit bleef beschikbaar, maar werd niet gebruikt.

Het contrast met de woonstraten was scherp. Daar traden piekbezettingen op die regelmatig richting of boven de 100% gingen. Tegelijkertijd bleven op enkele honderden meters afstand tientallen tot honderden parkeerplaatsen leeg. Het probleem was dus niet dat er te weinig parkeerplaatsen waren. Het probleem was dat vraag en aanbod in tijd en functie uit elkaar lagen.

Opvallend was dat deze leegte beleidsmatig nauwelijks werd meegewogen. Parkeercapaciteit werd bekeken binnen vaste categorieën: bewonersparkeren, bezoekersparkeren, evenementenparkeren. Buiten die afbakening hield de analyse op. Capaciteit met een andere formele functie telde niet mee, ook als zij feitelijk beschikbaar was.

Dat leidde tot een structurele blinde vlek. Het parkeerprobleem werd gedefinieerd als een lokaal tekort. In werkelijkheid kende de stad als geheel juist een overschot. Maar op de verkeerde momenten en onder de verkeerde voorwaarden. Dat is geen schaarsteprobleem. Dat is een ontwerpfout.

Een eerste doorrekening liet zien wat hier mogelijk was. Zelfs een beperkte benutting van deze dalcapaciteit zou al voldoende zijn om een aanzienlijk deel van de piekdruk in woonstraten op te vangen. Niet door alles open te stellen. Wel door gericht te kijken naar tijdvensters, nabijheid en doelgroep.

Daarmee verschoof het perspectief. De kernvraag werd niet langer of bewoners bereid zouden zijn hun gedrag aan te passen. De vraag werd: wat gebeurt er als het systeem bewoners in staat stelt rationele keuzes te maken?

Dit was het tweede kantelpunt. Het eerste was de vaststelling dat de straat vastliep. Het tweede was het inzicht dat de oplossing niet per se in de straat lag. Wat ontbrak, was geen capaciteit. Wat ontbrak, was een manier om bestaande capaciteit toegankelijk en betekenisvol te maken op de momenten dat het ertoe doet.

Om te kunnen beoordelen of dit perspectief realistisch was, moest één hardnekkige aanname worden getoetst: de veronderstelling dat bewoners hun parkeergedrag niet willen of kunnen aanpassen. Die toets vond plaats vóórdat er ook maar één plek werd opengesteld.


Vorige artikel:
De avond dat Den Haag vastliep

Volgend artikel:
De mythe van de onwillige automobilist